Sleutels
Hannah Roels - dit verhaal verscheen in DW B (3/2025)
Beste Ellias,
Dank voor je mail en de roman. Ik heb er stukken in zitten lezen. Op dit –
Hij kijkt boven zijn scherm naar de hoge spar die de helft van het raam vult. Toen hij zich zonet installeerde, zag hij een eekhoorn zwiepend van tak naar tak springen en naar boven rennen langs de stam. Hij herleest de aanhef maar durft de mail niet openen, kijkt om zich heen, hij zoekt naar aanknopingspunten, de Moleskines in een rij op de vensterbank, de wiegende sparrentakken, koffieringen in het hout van zijn werkblad, er ligt iets achter de tastbare dingen, een orde maar dan metafysisch. Hij heeft altijd geloofd in sleutels. Hij voelt hun aanwezigheid en dit leek hem lange tijd voldoende – weten dat deze sleutels er zijn, hij hoefde er geen dingen mee te openen. Hij wil zichzelf leren op zijn intuïtie af te gaan, op dit instinctieve aanvoelen, in plaats van op zijn ratio.
Ik heb er stukken in zitten lezen. Hij is bang. Hij zou een bericht naar zijn vriendin kunnen sturen om de situatie grappig te maken, lichter, eindelijk heeft hij antwoord van een redacteur, iemand van zijn lievelingsuitgeverij nog wel, hij kan het bijna niet geloven – en hij durft de mail niet open te klikken. Hij durft gewoon niet. Maar zijn vriendin hierbij betrekken zal de spanning enkel vergroten, bovendien heeft hij zonet drama gemaakt om haar weg te krijgen, om het huis even voor zichzelf en voor zijn schrijven te hebben.
In gedachten overloopt hij zijn manuscript, wat er goed en wat er misschien, waarschijnlijk, minder goed aan is – maar beter kan worden, de potentie ervan, mijn God denkt hij, al dat werk, dit kan toch niet voor niets zijn? Ik moet dapper blijven. Dit is een van de zinsneden in zijn agenda, gevoelig durven zijn maar ook dapper. Hij was dapper toen zijn wijsheidstanden werden getrokken, tijdens het zetten van zijn grote tatoeage, hij had zich hierop voorbereid met meer zinsneden. Zijn vrienden vonden de beslissing om voltijds te gaan schrijven dapper of dat deden ze in het begin, toen alles nog pril en vol belofte was – ik moet me niet verantwoorden, denkt hij maar het valt mee, behalve zijn moeder vraagt niemand nog hoe het is met zijn boek. Nee, met dapper doelt hij op zijn schrijven zelf. Dat van die intuïtie en ratio. Het heeft met loslaten te maken, met onbekende richtingen. Hij mag zijn verhalen niet zo uitstippelen. (I must take the hidden paths that run, west of the moon, east of the sun.)
Dank voor je mail en de roman. Ik hou het niet, denkt hij, ik durf niet. Antwoord is een zeldzaam goed de laatste tijd. Sinds hij stukken van zijn tweede boek rondstuurt op zoek naar een uitgever, leerde hij het Wachten kennen. De gespannen glans van de ochtend bij het ontwaken, het dwangmatige controleren van zijn mailbox, het zoeken naar aanknopingspunten, naar sleutels – zou het vandaag gebeuren? Wanneer het antwoord uitblijft en dat doet het bijna altijd, slijt zijn zenuwachtigheid, de dagen hernemen hun ritme alsof er niets is gebeurd en eigenlijk ís er ook niets gebeurd. Een redactrice liet hem eens helemaal naar Amsterdam komen voor een ontmoeting. Op de trein terug overliep hij hun gesprek en besefte dat ze het manuscript nauwelijks had gelezen. Toch had ze hem laten beloven om contact te houden, als hij een nieuwe versie had moest hij deze absoluut doorsturen. Dat deed hij. Tot driemaal toe. Maar er kwam nooit antwoord op zijn nieuwe versies en hij klasseerde dit opnieuw bij de gebeurtenissen die niet echt waren gebeurd.
Hij denkt aan de keren dat het geluk wel zijn kant uitviel. Zijn kortverhaal dat een prijs kreeg, de programma’s waarvoor hij werd geselecteerd, de uitgeverij die hem een contract aanbood voor wat zijn eerste roman zou worden, hij krijgt ook positieve reacties, hij is niet gek – dit zegt hij aan zijn vriendin wanneer het Wachten de sfeer in huis verziekt, ik ben toch niet gek?
Wat deed hij toen anders dan nu? Hij probeert langs zijn handelingen terug te keren en deze in kaart te brengen, als zetten tijdens een spel waarvan hij de goede afloop al eens heeft meegemaakt. Hij verbindt dit uitgegeven krijgen van zijn tweede boek met verhuizen (hij woonde in een andere buurt toen hij de prijs won), stoppen met roken (tijdens het schrijven van zijn eerste rookte hij lichtere tabak), in een poging greep te krijgen op het oncontroleerbare, het te beïnvloeden door een verandering waar hij wel macht over heeft. Het gaat om het exacte punt. Om het gebruiken van de sleutels. De meevallers kwamen weliswaar onverwacht, wanneer hij niet met Wachten bezig was, maar ik moet wel de context juist hebben, denkt hij, ik moet de bedding gegraven hebben voor de rivier komt vloeien.
Zo steekt hij eindeloos veel tijd in zaken regelen. In organiseren. Opdat het wonder kan komen, het goede nieuws of het inzicht dat zijn tekst naar een hoger niveau zal tillen. Hij dacht dat zijn schrijven een groene en rustige omgeving nodig had, maar nu hij zijn vriendin eindelijk overtuigd heeft om hun dakappartement in de ruilen voor dit huisje aan de stadsrand, heeft hij nog nooit zo traag gewerkt. Het is de lente, het is de bloeiende, zoemende omgeving die hij moet ontdekken. Maar nu het oktober wordt, verlangt hij weer naar het appartement, naar de vrienden op loopafstand en de gezellige, kleine bars van het centrum, wie schrijft bovendien een meesterwerk met zo’n idyllisch uitzicht? Tegenover hun rijtjeshuis ligt een soort landgoed en zijn raam kijkt uit op de enorme tuin. Hij herinnert zich de eerste keer dat hij aan zijn bureau ging zitten en het torentje zag, de glooiende bloembedden en gazon, de boomkruinen in de verte, ver te kunnen kijken en tegelijk de meesjes en sporadische eekhoorn in de spar aan de overkant, de avondzon die schuin door zijn raam viel en het tafelblad amber kleurde. (In this place I will abide, and my heirs.) Hij gaf zich helemaal over aan dit uitzicht, zich tegelijk bewust van zichzelf – de schrijver met zijn schriftjes aan het raam, blik op oneindig in het gezeefde licht – waardoor hij een deel van de scène werd in plaats van de waarnemer en zelfs hierover niet kon schrijven.
Hij kalmeert zichzelf door zich meer tijd te gunnen. Steeds een beetje meer. Een extra maand om een lastig hoofdstuk uit te werken, een maand erbij om te experimenteren met een nieuw perspectief, hij schrijft zijn maandplanningen, op basis waarvan hij zijn dagplanningen maakt, met potlood in zijn agenda, omdat ze iedere week veranderen. Zolang hij deze roman afkrijgt voor zijn volgende verjaardag is er niets aan de hand – denkt hij al drie jaar.
Hij blijft afreizen naar een stad in West-India waar het laatste en moeilijkste deel van het verhaal zich afspeelt. Zijn vrienden doen geen moeite meer om dit te begrijpen. Zijn vriendin denkt aan een affaire, terwijl hij telkens in volslagen eenzaamheid in dat bloedhete hol van Pluto gaat zitten herlezen en herstructureren, gaat zitten regelen, in een poging tot inzichten te komen die hij thuis niet krijgt. Om iets van de betekenis die deze stad voor hem heeft en die hij zelf niet helemaal vat, naar zijn verhaal over te hevelen. Als twintiger maakte hij een hippiereis door India en hoewel het allemaal niet te lang bleef kleven, de yoga en de Boeddhabeeldjes, raakte hij zijn fascinatie voor de plek nooit kwijt. Bovendien begon hij er het kortverhaal dat later een prijs zou krijgen – dit kan toch geen toeval zijn, het kan toch niet voor niets zijn? Hij slaapt telkens op goedkopere kamers, tot hij op een kamer terechtkomt die zelfs naar lokale normen goedkoop is en een parasiet opdoet. Door het gebrek aan geld (en door de parasiet) worden zijn tijd en bewegingsruimte steeds beperkter en zijn regeldrang bereikt een hoogtepunt. Hij gomt verschillende keren per dag zijn dagplanning uit en schrijft deze opnieuw, het gomsel van de slappe matras in de plooien van het muskietennet vegend, waardoor hij precies het omgekeerde doet dan hij in India van plan was, loslaten, op zijn intuïtie afgaan. Het inzicht uit eigen beweging laten stromen.
Hij komt fel vermagerd terug in België en kalmeert zichzelf met plannen b en c. Met veelbelovende mogelijkheden wanneer deze tweede roman niet van de grond komt. Hij kan in een universiteitsbibliotheek gaan werken, of les creatief schrijven geven, hij krijgt er bijna zin in, een leven met minder verwachtingen en dus minder frustratie, meer geld ook, eindelijk geld, misschien zelfs een familieleven. (Zou zijn vriendin nog een kind kunnen krijgen? Zou ze willen? De afwezigheid van een kinderwens was hem net zo bevallen toen hij haar leerde kennen.) Uiteraard zal hij blijven schrijven. Het enige wat hij moet opgeven is het openbare van de zaak, het gepubliceerd worden, maar is dat zo belangrijk? Gaat het niet om de snuffelende, razende, gestolen momenten van inspiratie die hij aan zijn tafel beleeft? Hij heeft in zijn agenda een zinsnede van Simone de Beauvoir genoteerd, een citaat dat hem helpt om enerzijds het onderste uit de kan te halen en anderzijds niet teveel hoop te koesteren, ma vie n’était pas une histoire que je me racontais, mais un compromis entre le monde et moi, etc. (In werkelijkheid zijn het zinnetjes van Tolkien die de hele tijd in zijn gedachten opspringen, als een voice-over, doodvermoeiend is het.)
Dank voor je mail en de roman. Wat wil dat zeggen? Bedankt hij me voor tweehonderd pagina’s ongeredigeerde tekst? Wat een fletse opening. Hij durft niet te hopen, hoopt desalniettemin. (Do not trust the hope, it has forsaken these lands.) Op een gegeven moment moet ik de mail openen, denkt hij. Dat moet. Dapper zijn. Hij heeft een geweldige behoefte om naar het toilet te gaan, dat had hij al voor hij zijn mailbox aanklikte, maar nu is de druk tegen zijn sluitspier onmiskenbaar en door iets bijgelovigs wil hij dit voor erna houden. Dan heeft hij tenminste iets te doen wanneer het antwoord negatief is. Dan heeft hij een letterlijke uitlaatklep. Hij zoekt weer naar tekenen, als sporen om een vreemde, ontregelende droom na te vertellen, om zijn intuïtie in goede banen te leiden. Hij gaat helemaal in het uitzicht op, de zware sparrentakken, het glooiende gras, als hij maar aandachtig genoeg kijkt zal hij de samenhang zien, zal hij het vatten, al weet hij nog niet zeker wat. Het is die avond volle maan (staat in zijn agenda), er is de eekhoorn die hij zonet soepeltjes door de spar zag springen, denkend; dit wordt een bijzondere dag (het is een echte inheemse met pluimstaart, niet de geïmmigreerde soort), het ontbreekt de datum niet aan elegantie (hij houdt van oneven getallen), het zou vandaag kunnen gebeuren, de potloden en koffiekoppen op zijn tafel als van een echte schrijver, alles in de plooi, feitelijk wilde hij beginnen, had hij zijn vriendin buiten gekregen toen hij zijn laptop opende – dat mag hij nu vergeten, wat het antwoord ook is, schrijven zal hij vandaag niet meer doen. Hij zou ook zo graag bij deze uitgeverij publiceren. Ze zijn niet te groot, niet te commercieel, hebben namen in hun fonds die hij bewondert, de covers zijn rustig maar opvallend. Heeft het Wachten hiertoe geleid? (Not all those who wander are lost.) Het antwoord van deze redacteur kan drie jaar frustratie en onzekerheid in een ander daglicht plaatsen. Hij raapt al zijn moed bijeen en als een kamikaze klikt hij de mail open.
Beste Ellias,
Dank voor je mail en de roman. Ik heb er stukken in zitten lezen. Op dit moment denk ik niet dat wij ruimte hebben voor nieuwe schrijvers. Wat ik lees overtuigt me ook niet helemaal: ik zie een goed thema en goede ideeën, maar een uitwerking in een ietwat vlakke taal daar die daar naar mijn smaak niet helemaal recht aan doet. Ik hoop van harte dat je elders meer succes hebt.
Een dof gevoel verspreidt zich over zijn benen en onderlichaam, de behoefte om zich te ontlasten verdwijnt op slag. Hij heeft de neiging te gaan staren, naar de Moleskines op de vensterbank, naar het torentje en de boomstammen in de verte, maar denkt; niet stilvallen, de opmerking noteren (goede ideeën maar ietwat vlakke taal) en de mail naar de prullenbak, verder doen voor de dofheid donkerte wordt, het is nog geen donkerte, is dit wel gebeurd? Het hoeft niet gebeurd te zijn. Waar blijft zijn vriendin eigenlijk? Hij verlangt om haar bij zich te hebben en wil het tegelijk nog niet delen, niet uit schaamte of omdat hij niet door haar getroost wil worden, dat wil hij heel graag, maar omdat de woorden nog geen plaats hebben in zijn hoofd en lichaam, hij wil ze nog geen macht verlenen. Hij neemt zijn agenda, een gommetje, en bladert naar zijn maandplanningen. Plots ziet hij iets vreemds buiten. Hij moet goed kijken voor hij het gelooft. Nu zitten er twee eekhoorns, ze zitten naast elkaar op het muurtje onder de spar. Ze kijken naar zijn raam, het lijkt of ze hem zien zitten.