Limbo


Hannah Roels - dit essay verscheen in De Gids (2026)



Wie ben je als er niemand bij je is? Toen ik op schrijfresidentie was in Óbidos, een Middeleeuws stadje in Portugal, voelde het zo heftig en tegelijk heerlijk om daar alleen te zijn met mijn gedachten, alsof ik tijdens stormwind een dijk was over geklommen en in luw gebied terechtgekomen, dat ik alle contact uit de weg ging. Ik vermeed de mensen van de literaire organisatie, de toeristen, de beeldenmaker die ik de hele tijd hoorde kappen en kerven in het atelier onder me. Zijn kruin zag er sympathiek uit wanneer hij op het koertje stond te roken, toch ontliep ik hem als een verschrikte kat, het was instinctief, visceraal, ik kon er niets aan doen. Wat probeerde ik daar te beschermen?

‘s Avonds maakte ik wandelingen en keek naar de verlichte ramen van de oude huizen, ving glimpen op van de levens die zich daar afspeelden. Het eigenaardige was dat ik niet naar binnen verlangde. Het was geen smachtend kijken, eigenlijk was ik nauwelijks nieuwsgierig naar die levens maar had het nodig te weten dat ze er waren. Dat ze dichtbij waren. Zachte stemmen op straat, een radio of televisie. De rust in Óbidos ‘s nachts was als een lichaam, dicht als de duisternis die ook zoveel echter was dan in lichtvervuild Brussel. Ik vermeed donkere steegjes, niet omdat ik me onveilig voelde maar ik was zwanger en bang om te struikelen over de bolle straatkeien. Na het wandelen ging ik op de matras naast mijn werktafel zitten lezen, de rust als armen om me heen. De beeldenmaker hield ‘s avonds op met beitelen maar ik kon zijn bewegingen bijna voelen, zijn ademen en voetstappen, het lamplicht van het atelier scheen tussen de planken van mijn vloer. Ik weet zeker dat ook hij wist dat ik er was, ik zag hem naar boven kijken wanneer hij ‘s morgens uit zijn auto stapte. Zo ging het drie weken. We hebben elkaar nooit ontmoet.

Dit was niet de eerste keer. Ik ontdekte dit vreemde en helende gevoel in Nepal, waar ik als twintiger strandde na een relatiebreuk. In Pokhara werd ik verliefd op een Nepalees die prachtige tatoeages ontwierp en zo legde ik aan mezelf uit dat ik bleef plakken, door deze gevaarlijk uitziende maar heel lieve jongen. Bovendien hadden de tatoeages tijd nodig om te genezen voor ik er een rugzak op zou dragen. Vond hij. Of dat dacht ik tenminste want we begrepen elkaar niet goed. Ik begon in sneltempo Nepali te leren maar dat hielp weinig, ik herinner me zijn diep verwarde blik als ik weer eens de trappen van zijn tatooshop beklom. Uiteindelijk nam ik afscheid en liet een boek bij hem achter, dat hij ronddraaide alsof het echte cadeau zich nog moest openbaren.

Maar ik bleef wel in Pokhara hangen. Ontdaan van verwachtingen en plannen, belandde ik er in die zalige, windstille cocon. Andere toeristen gebruikten Pokhara om op adem te komen tussen twee trektochten en voor de Nepalezen was ik een bevreemdende verschijning die per se hun taal wilde spreken, ik leek in een marge gegleden, een limbo, en genoot ervan, ik genoot er zo verschrikkelijk van dat ik iedereen ontliep die ik ondertussen had leren kennen. Elusive, zei de Australische bergbeklimmer die de kamer naast die van mij huurde. You are so elusive. Ik besefte pas de ernst toen ik berichten begon te krijgen van vrienden uit België die op vakantie wilden komen. Dit voelde als een regelrechte inbreuk. Hun aanwezigheid zou de ontspanning van denken en kijken die ik daar had gevonden totaal kapot slaan. Het maakte me kregelig en ik begon het internetcafé te vermijden, het gaat wel over, dacht ik, ik ben mijn dubbel liefdesverdriet aan het verwerken. Maar in werkelijkheid voelde ik me heerlijk. Het duurde twee maanden voor ik er klaar mee was en zwichtte, naar Kathmandu reisde om iemand op te wachten aan het vliegveld.


Verhevigde waarneming

Het heeft met zelfbeschikking te maken natuurlijk, met plantrekkerij, het voelt goed om even je eigen boontjes te doppen. Alsof ik mijn persoonlijke relatie tot de dingen terugvind. Gedachten krijgen iets zoets, iets uitverkorens, ze zijn niet noodzakelijk interessant maar ze zijn wel van mij en hierdoor komen ze losser te zitten. De omgeving krijgt een nieuwe glans. Muziek en boeken moet ik goed uitkiezen, want hun invloed wordt intenser en ze kunnen mijn humeur laten kantelen.

Wat doe je anders wanneer niemand naar je kijkt? Ik lijk speelser en trager te worden, ben geneigd dingen te doen die ik als kind deed, met mijn handen eten, zingen, alles laten rondslingeren. In de Ardennen vind ik het heerlijk om in bomen te klimmen en zonder kleren in riviertjes te baden – ik doe dit zelden als er iemand bij is, het is moeilijk uit te leggen hoe heilzaam deze minuscule overtredingen zijn. (Er is iets met de combinatie van kracht en kwetsbaarheid. Als ik in een eik zit rond te kijken, de schors in mijn huid gedrukt, voel ik me heel sterk, kosmisch sterk, en tegelijk kwetsbaar omdat naar beneden vallen zo is gebeurd, een uitkomst die ik niet helemaal controleer. Het neerliggen in een ijskoude rivier tussen de waterranonkel die als haarstrengen wordt meegetrokken, heeft hetzelfde effect, waardoor ik ben gaan geloven dat genot precies dat is, kracht en gevoeligheid verweven.)

En wandelen natuurlijk. Wanneer ik alleen wandel, of het nu in een stad of bos is, staan al mijn zintuigen open, alsof er ballast is weggevallen.


Gelukkig zelfbewustzijn

Ik denk niet dat dit gevoel op zich met gender te maken heeft. Maar vrouwelijk alleen-zijn heeft door de belofte van zelfbeschikking wel een bijzonder gewicht. Het lijkt meer te betekenen. Lolly Willowes, de feministische klassieker uit de jaren twintig, illustreert dit goed. Lolly sluit een pact met de duivel opdat ze kan leven zoals ze dat zelf het liefste wil; ongestoord. De tekst eindigt met het diepe genoegen van het alleen-zijn. ‘De nacht stond tot haar beschikking. Heerlijk om mensen om je heen te hebben die hun eigen gedachtewereld verkiezen boven die van jou, heerlijk om te leven zoals jij dat wilt, heerlijk om vannacht buiten te slapen. Misschien dat Satan haar zou aantreffen op zijn ronde en zou glimlachen om haar zo vredig en zeker in zijn gevaarlijke hoede te zien. Maar hij zou haar niet storen.’ Het duivelspact gaat hier niet om macht maar om privacy, Lolly wil met rust gelaten worden, het is simpel en krachtig tegelijk. Wat ook opvalt is dat dit geen fictie is gebaseerd op het leven van de schrijfster maar eerder omgekeerd. Lolly Willowes was het debuut van Sylvia Townsend Warner, toen ze nog in Londen woonde. Later trok zich terug in een rudimentaire cottage in een plattelandsdorp. Ze noemde het huisje Miss Green en besteedde er haar gelukkigste en productiefste schrijfjaren.

In La force de l’âge beschrijft Simone de Beauvoir hoe ze een eigen leven optuigt in Marseille, weg van Parijs en van Sartre. Ze bekijkt zichzelf terwijl ze dit doet, ‘je meublais ma vie en me regardant vivre.’ Ze houdt van Katherine Mansfield en diens femme seule, bedenkt dat ook zij dit personage belichaamt, in haar eentje koffie drinkend onder de platanen of op een terras aan de oude haven. Deze vrouwen hebben een zeer sterk zelfbewustzijn. Ze zijn niet enkel alleen en tevreden, ze zien zichzelf dat zijn. Het besef dat ze hier niemand voor nodig hebben, voegt betekenis toe aan hun geluk. Dit in- en uitzoomen had ik ook in Óbidos. De heerlijkheid zit voor een groot deel in het bekijken van zichzelf, wat deze vrouwelijke afzondering iets onmiskenbaar narcistisch geeft.


Innerlijk spreken

In ieder geval gebeurt er bij vruchtbaar alleen-zijn, los van gender, een soort ontdubbeling. Een deel van onszelf lijkt zich af te splitsen. Ik denk dat dit de bevrijde, genoeglijke gedachten verklaart, de innerlijke conversatie die zo helend kan werken. Hannah Arendt zag denken als een gesprek met zichzelf. ‘Alleen-zijn betekent omgaan met jezelf, eenzaam zijn betekent alleen zijn zonder je te kunnen opsplitsen in het twee-in-een, zonder jezelf gezelschap te houden.’ Ik heb een krachtige herinnering aan het moment waarop ik me als kind bewust werd van deze ontdubbeling, hoewel ik natuurlijk niet in die bewoordingen dacht. Ik weet niet meer precies wat er fout was gelopen, waarom ik me zo verraden voelde, maar ik lag in het donker in bed en kwam tot het volle besef dat ik mezelf had. Dat ik nooit echt alleen zou zijn omdat ik mijn eigen vertrouweling vormde en ik herinner me de balsem van dit gevoel, de geaardheid ervan, het feit dat niemand het aan me kon zien, dat niemand het me kon afnemen.

Wie ben je als je jezelf niet vanuit het perspectief van anderen ziet? Ik weet niet of het antwoord niemand is, maar het is wel zo dat je ontheven lijkt te worden van rollen. Vandaar het luwe, windstille gevoel. Wanneer sociale rollen vervagen, weegt je persoonlijkheid minder – nu ik dit schrijf vraag ik me af hoe het met de moederrol zat in Óbidos, maar hoewel ik me heel bewust was van het groeien in mijn buik, voelde dit niet als een rol omdat er nog geen afstand bestond. Waarschijnlijk is dit ook de reden om zich jeugdiger te voelen, om meer te zien tijdens het wandelen. De confrontatie met de buitenwereld is naakter. Met anderen erbij word je verondersteld een samenhangend mens te zijn, maar in het limbo van het alleen-zijn is deze samenhang niet nodig en kan je jezelf een beetje heruitvinden. In Nepal ontdeed ik me niet zozeer van anderen maar van mezelf. Soms is een persoonlijkheid een textuur die teveel spant, een te warme handschoen.

Dit ontdaan worden van rollen heeft alleen-zijn met schrijven gemeen. Tijdens goede schrijfmomenten ben ik niemands dochter, vriendin, etc. Er is een losmaken nodig om net dieper te kunnen doordringen. P. F. Thomése schrijft in de Standaard der Letteren: ‘Ik moest mij van mijzelf ontdoen, er zat niets anders op. Een vreemde moest ik worden. Ik moest een verhaal zien te schrijven zoals een onbekende dat zou doen.’ Hier komt die ontdubbeling terug. Bovendien zijn schrijven en lezen dingen die we prototypisch alleen doen. Zoals mensen een boek openslaan om te lezen maar evengoed om hun huisgenoten even naar de verdoemenis te wensen, vermoed ik dat veel schrijvers op residentie vertrekken om eens naar behoren alleen te zijn. De twee gaan samen. Mijn schrijfperiodes in de Ardennen zijn evengoed een verlangen naar afzondering. Terwijl het thuisfront denkt dat ik zit te werken, ga ik in de bossen rondstruinen, blaas de stilte vol dagdromen en schrijf ‘s avonds hooguit een paar uur voor ik er weer de stafkaart bijneem om mijn volgende expeditie te plannen.


Kwetsbaar evenwicht

Dit alles is natuurlijk een luxe. Een uitgesproken luxe. Je kunt enkel van alleen-zijn genieten als je er zelf voor kiest. Als er mensen zijn waarmee je verbonden blijft en naar wie je kunt terugkeren. Terwijl Simone behaaglijk haar koffie dronk op een terras aan de Vieux-Port en vond dat ze toch maar mooi haar eigen boontjes dopte, zat Sartre op een paar uur afstand met de trein. Als het alleen-zijn je overkomt slaat het makkelijk over naar eenzaamheid – Olivia Laing schreef er The Lonely City over. Maar dit risico is er ook met gekozen alleen-zijn. Soms lukt de ontdubbeling niet en slagen we er niet in om onszelf gezelschap te houden. Eenzaamheid is dan de verbinding met jezelf missen, het innerlijke spreken, eerder dan het missen van andere mensen - hoewel die kunnen helpen ons een spiegel voor te houden zodat we weer zien wie we zijn.

Eigenlijk is er altijd een contrast nodig. Je geniet pas van zelfbeschikking als er iets is waartegen deze zich afzet. Een keer leek ik te ver afgedreven in de Ardennen. Ik had een paar lange tochten achtereen gemaakt, diep verzonken in de bossen waar veel levende wezens waren maar geen menselijke. Aan het einde van de week verdwaalde ik en klauterde stroomopwaarts een rivier naar boven. Daar gleed ik gemeen uit en het besef dat de mensen thuis geen idee hadden waar ik me bevond (die dachten dat ik in de chalet zat te werken), een besef dat eerst zo heerlijk had gevoeld, deed plots pijn, er werd een glans van de schoonheid getrokken. Plots spraken de dingen niet meer. Toen ik tenslotte langs een camping het (verkeerde) dorp binnenwandelde en stemmen hoorde, ging ik langs het pad zitten om te luisteren, om deze humane aanwezigheid in te drinken. De stilte was te inert geworden. De lucht was te ijl. Ik kon ze niet meer vullen met mijn gedachten. Hurkend op het pad dacht ik er niet over mijn aanwezigheid kenbaar te maken, luisteren naar deze mensen was genoeg (ze probeerden vergeefs een barbecue aan te steken), gewoon even langs hen bestaan en toen kon ik weer verder.

Het lijkt tegenstrijdig maar vruchtbaar alleen-zijn gedijt goed als je dicht bij mensen bent. Dicht bij leven. Als ze niet te luidruchtig zijn en geen interactie zoeken – het blijft een moeilijk evenwicht, kan de aanwezigheid van anderen het innerlijke gesprek aarden en zelfs stimuleren. Misschien was het daarom in Óbidos zo geruststellend om de beeldenmaker bezig te horen en ‘s avonds naar de verlichte ramen te kijken, terwijl ik toch niet naar binnen wilde. Het was een aandachtig luisteren en kijken – maar zonder verlangen. Dit contrast voert terug naar de ochtenden waarop ik als kind in het atelier van mijn vader speelde. Hij zat traag en uiterst geconcentreerd te werken op zijn schilderskruk en ook ik bevond me in mijn eigen wereld, tussen ons een diepe gemoedsrust die tegelijk tintelde van de energie. Ik ben pas veel later gaan beseffen hoe zeldzaam dit soort solitude à deux is, hoe tegengesteld aan wat we tegenwoordig onder ideale relaties verstaan. Het heeft niet zozeer met ideeën of praten te maken – wat ik ook heel graag doe, maar met een gelijkaardig temperament. Het is een ander soort intimiteit.


Denken tussen de kieren

Toen ik terugkeerde uit Óbidos, begon de angst. Het was een vage angst maar hij zat overal, het had met de moederrol te maken, met het feit dat ik binnen afzienbare tijd mijn toegang tot de heerlijkheid zou verliezen. Definitief verliezen. Toen kwam het werk van Adrienne Rich en Kate Zambreno op mijn pad en dat deed de hemel enigszins klaren. Niet dat deze boeken hoopgevend waren – ik las Drang van Zambreno ‘s nachts uit in een roes, zoekend naar verbetering, naar geruststelling, die maar niet kwam. Maar de angst vond eindelijk een vaste grond. Nu wist ik tenminste waar ik bang voor was. Intelligent pessimisme voelt ook beter dan een onbestemde en mogelijk valse hoop. Rich schrijft dat er manieren moeten bestaan om de energie van creation en de energie van relation te laten samengaan, precies, dacht ik, dit moét kunnen en deze gedachte, deze mogelijkheid, werd een reddingsboei.

De eerste maanden na de geboorte maakte ik vaak een wandeling wanneer mijn partner van zijn werk kwam. Alleen. Het was niet meer dan een ommetje maar het voelde als een ontsnapping, een oer-vlucht, niks zelfbeschikking of ontdubbeling, gewoon zo snel mogelijk weg voor ik me schuldig begon te voelen, naar buiten. Bij het uitlopen van de straat ervoer ik dan totale vrijheid, zonder telefoon of papieren en vaak ongewassen, als een gevangene op vrije voeten. De lente begon en het natuurreservaat achter ons huis stond in bloei. Omdat ik oververmoeid was en tjokvol hormonen zat leek mijn wandeling een trip op LSD, de ontluikende witte kelkjes, het licht door de kruinen, water dat door een mossige betonbuis glinsterde, alles was bloedmooi en deelde in mijn gevoelens voor mijn dochter, aan wie ik in gedachten liefdesbrieven aan het schrijven was. Ik kwam nooit ver voor de band begon te trekken. Wanneer ik de voordeur weer openduwde, zocht ik meteen naar tekenen van onheil, ik weet niet wat het ergste was, haar horen huilen of net niet. (Meestal huilde ze.) Mijn wandeling duurde zelden langer dan een kwartier. Een kwartier.

Ik probeerde die windstille ruimte terug te halen, al was het dan in gedachten. Ik klampte me vast aan sporen van zelfbeschikking – waarom had niemand me gezegd dat het zo intens zou zijn? Lolly Willowes had natuurlijk geen kinderen. Uit alle macht probeerde ik samenhang te bewaren, iets van diepgang in het denken, maar ze onderbrak me zo vaak dat ik nooit verder kwam dan het voorgeborchte. De bescherming waarin ik zo goed was geworden bij andere mensen, viel niet vol te houden.


Onverwachte aarding

Op een dag schreeuwde ze mijn innerlijke gesprek weer eens aan stukken en gaf ik het op. Ik staakte mijn verzet. Het vreemde was dat er toen iets opentrok. Ik werd eindelijk rustig. Begon notities te nemen tijdens het borstvoeden, tegen het handvat van de kinderwagen en op een doos pampers, schreef in bed terwijl ze sliep, ik begon de onderbrekingen te aanvaarden. Vroeger zou ik dit afschuwelijk gevonden hebben. Maar tegen alle verwachtingen in begonnen de woorden weer te komen. Eigenlijk waren ze nooit weggeweest. ‘The well-bounderied self is a retrospective fantasy rather than an indispensable writing aid’ schrijft Julie Phillips in het mooie The Baby on the Fire escape. Het is ploeteren om mijn concentratie terug te brengen, maar de onderbrekingen wrikken inderdaad een stijfheid open. Ik word nieuwsgierig naar wat eronder zit. Is dit dezelfde samenhang die losser komt te zitten wanneer je alleen bent? Raakt dit aan de ontdubbeling die nodig is om te schrijven? ‘En zo is het mijn ambitie geworden mijzelf, of wat daarvoor door moet gaan, met elk boek telkens weer vrolijk uit te wissen.’ gaat Thomése verder in DSL.

Toch denk ik niet dat de energieën van creation en relation echt kunnen samenvloeien. Net zoals ik vragen heb bij het ‘schrijven in witte inkt’ waarover Hélène Cixous spreekt. Ik koester dit beeld vanwege zijn schoonheid en omdat het voedende vrouwenlichaam zo afwezig is in onze cultuur. Maar het zijn twee erg verschillende dingen. Mits (veel) geknoei kunnen ze naast elkaar bestaan, ze kunnen elkaar inspireren, maar je doet ze niet samen. ‘The frustration – and pleasure – that writer-mothers experience seems better expressed with images of improvisation and compromise than of multiple selves in amicable consort’ schrijft Phillips. Opeens begrijp ik waar de fragmentarische boeken van Maggie Nelson, Offill, Zambreno, Manguso en Ni Ghriofa vandaan komen. De mengeling van genres, de citaten en anekdotes, dat onaffe. Dit is gewoon de manier waarop het denken functioneert wanneer de onderbrekingen altijd in de lucht hangen. Het is een afspiegeling van het verbrokkelde brein.

Tegelijk creëert het verzorgen van een baby een cocon die niet zo ver afstaat van een schrijfcocon en dat had ik niet verwacht. De rare uren, het licht gedrogeerd rondlopen, de neiging om zich af te schermen, het is een limbo op zich. Iets wordt naar binnen gericht. Als ik een paar uur achtereen kan werken, als ik in mijn marge kan glijden, krijg ik soms een enorme focus. Alsof de kwaliteit van de cocon zich voortzet en ik iets van de overvloed die het samenleven met een kind creëert, kan meenemen.

Ook dit is een verhevigde waarneming. Eigenlijk is het een nieuwe uitnodiging om waar te nemen. Het evenwicht is kwetsbaarder dan ooit maar als het lukt, dan komt die rust weer als een enorm, uitgestrekt lichaam om me heen liggen.

Heeft het ermee te maken dat een kind beslag op je legt maar niet zoals de buitenwereld dat doet? Ze moet eten, slapen, spelen, gewassen worden, ze moet veel en ze moet constant, maar ze vraagt me niet om iemand anders dan mezelf te zijn. Iets in ons samenzijn is anders en niet enkel omdat ze nog niet spreekt. De textuur ervan is anders. Deze stof is dichter geweven en zit toch comfortabeler. Ze maakt bij momenten zeer indringend oogcontact, alsof we elkaar al sinds het begin der tijden kennen. Het voelt heel natuurlijk om met zijn twee te zijn, om met haar op mijn arm het huis klaar te maken voor de nacht. Een vertrouwen zonder woorden die ik niet meer ervaren heb sinds dat spelen in het atelier, sinds de nabijheid van mijn schilderende vader mijn eigen denken wortelde.

Enerzijds is deze limbo het tegenovergestelde van alleen-zijn, anderzijds heeft het met alleen-zijn en schrijven een geaardheid gemeen die weinig andere relaties hebben.